Beeldhouwers gebruiken hoofdzakelijk vier basistechnieken. De processen zijn ofwel subtractief (materiaal wordt verwijderd of uitgehouwen) of additief (materiaal wordt toegevoegd).
![]() |
![]() |
|
![]() |
![]() |
|
![]() |
Snijwerk: Houtsnijwerk is het wegsnijden of afschaven van een vorm uit een massa steen, hout of ander hard materiaal. Carven is een subtractief proces waarbij materiaal systematisch van buiten naar binnen wordt weggesneden.
Gieten: Beeldhouwwerken die gegoten worden, zijn gemaakt van een materiaal dat gesmolten is – meestal een metaal – dat vervolgens in een mal gegoten wordt. De mal laat men afkoelen, waardoor het metaal, meestal brons, verhardt. Gieten is een additief proces.
Modelleren: Gemodelleerde sculpturen ontstaan wanneer een zacht of kneedbaar materiaal (zoals klei) wordt opgebouwd (soms over een anker) en gevormd om een vorm te creëren. Modelleren is een additief proces.
Het assembleren: Beeldhouwers verzamelen en voegen verschillende materialen samen om een geassembleerd beeldhouwwerk te maken. Assembleren is een additief proces. Een voorbeeld van assemblage is Martin Puryear’s That Profile, hierboven.